Nieuwsbrief januari 2011

Bijniernetwerk-meeting Vrijdag 21-01-2011, Utrecht

Presentaties

1. Mitotane: praktische toepassing (door H. Haak)

Uit ervaring blijkt dat er tussen de verschillende ziekenhuizen en centra veel verschillen zijn in toepassing en toediening van mitotane. Toepassingen voor mitotane bij bijnierschorscarcinoom zijn:
Adjuvant, indien de Ki67 index >10% bedraagt
Monotherapie: bij locally advanced of gemetastaseerd ACC
Bij progressie onder mitotane monotherapie: in combinatie met chemotherapie (FIRM-ACT trial)
Aangeraden wordt mitotane op te starten volgens het hoge dosis schema (in 3 dagen opbouwen tot 6 mg/d) en vervolgens te doseren op geleide van de plasma spiegels. Hierbij dient een spiegel > 14m/L nagestreefd te worden. Een voldoende dosering van hydrocortison dient toegevoegd te worden (tot tweemaal een normale substitutiedosis is geen uitzondering). Mogelijke bijwerkingen bij mitotane toediening zijn gastro-intestinaal van aard, neuropsychiatrisch en hepatotoxisch. Ervaring toont echter dat deze bijwerkingen zeer zelden hoeven te leiden tot stoppen van mitotane behandeling.

2. Interactie met mitotane (door H. Gelderblom)

Momenteel is er nog weinig bekend over het metabolisme van mitotane. Uit onderzoek van het LUMC blijkt dat mitotane een sterke inductor is van CYP3A4. Dit gegeven biedt verdere mogelijkheden voor toekomstig onderzoek naar relevante geneesmiddeleninteracties met mitotane. Het heeft daarnaast mogelijk gevolgen voor de dosering van andere geneesmiddelen naast mitotane in de behandeling van bijnierschorscarcinoom.

3. Ketoconazol/fluconazol steroïdogenese in vitro (door R. vd Pas)

In het Erasmus MC is onderzoek gedaan naar de invloed van ketoconazol en fluconazol op de remming van corticosteroïdsecretie. Geconcludeerd wordt dat cortisol in bijnierschors-cellijnen wordt geremd door fluconazol (in farmacologische concentraties). Daarnaast is fluconazol een upregluator van StAR mRNA expressie. Mogelijk kan fluconazol in de toekomst ketoconazol vervangen in de behandeling van hypercortisolisme.

4. AIUVO-trial (door H. Haak)

Dit is een prospectieve, multicentrische, randomized controlled fase III trial (in navolging op het onderzoek van Terzolo). Doel is effectiviteit m.b.t. survival van adjuvante mitotane (hoge dosis opstartschema) bij bijnierschorscarcinoom vergelijken met enkel follow-up elke 3 maanden. Het is een 3 jaar durende trial met een follow-up van 2 jaar. Mogelijk te includeren patiënten zijn patiënten met een bijnierschorscarcinoom en een laag risico op een recidief (Ki67 index < 10%). Deze dienen binnen 3 maanden na operatie gerandomiseerd te worden. In totaal moeten er 200 patiënten worden geïncludeerd (100 per treatment arm). De chirurgen en pathologen hebben een belangrijke rol in de werving van deze patiënten. Momenteel is MMC al open voor inclusie. Centra die zullen volgen zijn: Groningen, Rotterdam en VU.

5. Chirurgie: resultaten en implicaties (door T. Kerkhofs)

Uit retrospectief onderzoek met 175 patiënten blijkt dat ondanks R0 resectie er veel recidieven gezien worden bij patiënten met een stadium I t/m III bijnierschorscarcinoom. Tevens blijkt dat de overleving significant beter is indien de chirurgische behandeling plaats vindt in een bijniernetwerk centrum. Momenteel worden er nog veel patiënten in perifere ziekenhuizen geopereerd met als gevolg het missen van veel stadium 1 en 2 patiënten in de database. Deze groep zou veel kunnen profiteren van adequate en optimale zorg geleverd in de verschillende bijniernetwerk centra. Implicatie hiervan is het stimuleren van centralisatie van de zorg, inclusief chirurgie.
Tevens werden de richtlijnen ‘Bijnierincidentaloom’ en “Verdenking primair bijnierschorscarcinoom’ gepresenteerd die ingevoerd zullen worden in regio Zuid-Nederland.
Recent is er door de Nederlandse Vereniging Heelkunde voorwaarde gesteld dat per chirurg jaarlijks minimaal 10 bijnieroperaties uitvoeren moeten worden om de ingreep nog te mogen doen.

6. Organisatie en registratie ENS@T/Parelsnoer (door H. Haak)

Op Europees niveau bestaat er de ENS@T (European Network for the Study of Adrenal Tumors).
Parelsnoer is een samenwerkingsverband van de academische centra in Nederland voor het verzamelen van klinische data en weefsel.
Doel is de zorg verbeteren door multidisciplinaire benadering ‘the complete package’ voor de behandeling van bijnierschorscarcinoom te bieden en patiënten tijdig verwijzen naar de bijniernetwerk centra om centralisatie te bevorderen. Daarnaast wordt biedt het Parelsnoer een fundament voor een wetenschappelijk netwerk: onderzoek wordt gestimuleerd en beter mogelijk gemaakt. Binnenkort volgt besluit over het opzetten van de parel endocriene tumoren met daarbij als subparel het bijnierschorscarcinoom. Harm Haak wordt voorgedragen als kartrekker van deze subparel.

7. Immuunhistochemie op feochromocytomen en paragangliomen (door R. de Krijger)

Ronald de Krijger heeft laten zien dat in een grote serie feochromocytomen en paragangliomen (n=317) SDHA- immuunhistochemie een betrouwbare methode is om de aanwezigheid van een SDHA-mutatie te bepalen. Verder blijken SDHA-negatieve tumoren ook negatief te zijn voor SDHB. Dit suggereert dat het Complex II mogelijk geheel degradeert in tumoren met een SDHA mutatie.

8. PRESCRIPT (door M. Kerstens)

Michiel Kerstens heeft de opzet van een nieuwe, prospectieve trial geïntroduceerd, die twee gangbare pre-operatieve behandelschema’s van patiënten met een feochromocytoom gaat vergelijken. Management met phenoxybenzamine zal worden vergeleken met doxazosine. De trial gaat lopen in de acht universitaire centra en negen grotere perifere ziekenhuizen, volgens de power-berekening zijn er ongeveer 130 patienten benodigd. Het protcol ligt momenteel bij de METC, er moeten nog wat logistieke problemen overwonnen worden. Verder bericht volgt.